Camassia

Iedereen heeft waarschijnlijk hetzelfde geleerd als ik: een plant die een bol bezit, zoals een hyacint of een tulp, heeft die bol om daar reservevoedsel in op te slaan. Bloembollen groeien in het wild in de woestijnen en steppen van Centraal-Azië of Zuid-Afrika; daar bloeien ze vroeg in het jaar, als in de bergen de sneeuw smelt. Na de bloei sterft het bovengrondse deel van de plant af om de verzengende zomerhitte veilig als bol onder de grond te kunnen overleven. In het najaar, als de nachten koeler worden, begint de plant weer te groeien – eerst ondergronds, waar wortels worden gevormd, en later, in het voorjaar, komt ook de rest van de plant weer boven de grond en verschijnt de bloem.

Camassia leichtlinii 4-kant

Zonder bol zouden de planten de gloeiendhete zomers van hun thuisland niet kunnen overleven. Bloembollen houden dus een zomerslaap.

Tot zover de theorie. Maar die verklaart niet waarom er bolgewassen zijn die helemaal niet uit droge streken komen. Het sneeuwklokje groeit eerder in vochtige bossen dan in woestijnen en de kievitsbloem groeit zelfs in uiterwaarden die in de wintermaanden wekenlang onder water kunnen staan. Ook het lenteklokje en het zomerklokje houden van water. Kennelijk zijn er ook bolgewassen die van nat houden, in plaats van dat ze droogte blieven.

De plantenwereld kent geen wet zonder uitzonderingen. Het antwoord op de vraag waarom er ook bolgewassen zijn die graag koel en nat staan is niet met zekerheid te geven. We kunnen alleen maar speculeren. Botanici gaan ervan uit dat de bol als overlevingsstrategie in de evolutie is ontstaan in tijden dat het klimaat in een bepaalde streek geleidelijk steeds droger werd. Klimaatveranderingen zijn van alle tijden en zo zijn er in het verleden ook vaak tijden geweest waarin het klimaat in droge streken geleidelijk weer natter werd. Kennelijk hadden veel bloembollen ook in die nattere tijden zoveel profijt van hun ondergrondse opslagmogelijkheid dat ze die hebben behouden, ook toen dit niet meer strikt noodzakelijk was. Zo zou je misschien kunnen verklaren dat er bloembollen bestaan die in het moeras groeien in plaats van in de woestijn. Maar het blijft gissen.

Camassia leithlinii Caerulea

Wat voor ons in de tuin van belang is, is dat niet alle bloembollen per definitie droog en zonnig moeten staan. Zo’n bolgewas dat liever nat staat is de Camassia, een plant die wat in de schaduw staat van meer bekende bollen als tulpen, narcissen en keizerskronen, maar die tot de gemakkelijkste tuinplanten behoort. Wie Camassia’s plant krijgt er in de loop der jaren beslist meer, in plaats van minder. Er zijn vier soorten in de handel: Camassia cusickii, C. leichtlinii, C. quamash en C. scilloides. Alle vier komen ze uit het westen van de U.S.A en Canada. De bollen van C. quamash zouden, volgens de overlevering, de Indianen vroeger tot voedsel hebben gediend. De indianen die dat verhaal kunnen bevestigen zijn inmiddels grotendeels uitgestorven, maar Camassia’s zijn er nog voldoende om in het voorjaar de bergweiden van British Columbia blauw te kleuren.

Er zijn bijna geen lelijke Camassia’s; alle soorten hebben sprietig blad, zoals dat van een narcis of een hyacint, en bloeien met stevige bloemstengels die ze tot goede snijbloemen maken. De stervormige bloemen variëren in aantal van tien tot dertig en zijn boven elkaar aan de bloemstengel geplaatst. De onderste bloemen gaan het eerst open en zijn al uitgebloeid als de laatste bloemen nog in bloei moeten komen. Storend is dat niet, bij deze plant, hoewel de mooiste tijd toch het begin van de bloei is.

De laatstbloeiende Camassia is Camassia cusickii (l.), met zilverachtig blauwe bloemen. De bollen van deze soort zijn donkerbruin en peervormig. Ze wegen al gauw een paar ons per stuk en zijn zo groot dat ze lastig met een bollenplanter te planten zijn. Ze passen niet in het gat en u kunt beter een spa gebruiken. Vroeger bloeide Camassia cusickii in mei en juni, maar in de laatste jaren is de bloeitijd naar eind-april verschoven. De bloemstengels worden bijna een meter lang. C. cusickii ‘Zwanenburg’ is een selectie met bloemen die wat donkerder blauw zijn dan die van de soort.

De meest fotogenieke soort is Camassia leichtlinii (r.o.) die met crèmewitte bloemen bloeit aan stengels van zo’n 70 cm hoog. In tuinen kom je de soort zelden tegen; daar zie je meestal C. leichtlinii ‘Caerulea’, met staalblauwe bloemen met een groene zweem. Deze variëteit zag ik op de Keukenhof ooit met veel succes gecombineerd met de oranje leliebloeiende tulp ‘Ballerina’. Camassia leichtlinii is een goede groeier op niet te droge grond; één bol is na een jaar of vijf al uitgegroeid tot een flinke pol met tien of meer bloemstengels. Dan wordt het tijd om de bollen na de bloei op te rooien, om ze wat verder uit elkaar te planten. ‘Blue Danube’ is een selectie uit C. leichtlinii met donkerblauwe bloemen. Ik heb het verschil nooit kunnen ontdekken maar het feit dat de Donau ook helemaal niet blauw is doet het ergste vermoeden.

“Er zijn bijna geen lelijke Camassia’s”, schreef ik eerder, maar hier is de uitzondering: Camassia leichtlinii ‘Semiplena’ is een mormel van een plant met rommelige, halfgevulde, crèmewitte bloemen.

Camassia quamash wordt maar dertig cm hoog en bloeit met dezelfde fel-paarsblauwe bloemen als C. leichtlinii ‘Caerulea’. Net als de andere soorten doet C. quamash het goed in ongemaaid ( of laatgemaaid) gras. De plant zorgt daar voor kleur nadat de meeste andere verwilderingsbollen zijn uitgebloeid. Maar echt verwilderen doet de plant niet omdat hij zich nauwelijks uitzaait. Gelukkig zijn de bollen goedkoop. ‘Blue Melody’ is een bontbladige mutatie van C. Quamash; langs het blad loopt in de lengte een smalle, lichtgele band. Persoonlijk geloof ik niet dat bontbladigheid bij bollen mooi of gewenst is, maar wie ben ik? Een enkele keer wordt C. quamash ‘Orion’ in de handel aangeboden. ‘Orion’ zou donkerder bloemen hebben dan de soort. Misschien was mijn ‘Orion’ de echte niet, want het enige verschil dat ik heb kunnen ontdekken is de prijs.

Camassia scilloides lijkt op een 40 cm hoge sterhyacint. Dit is de minst opvallende soort, maar boven zijn soortgenoten heeft hij één groot voordeel: hij zaait zich uit. Daardoor is deze Camassia bij uitstek voor verwildering geschikt. Maar eigenlijk geldt dit voor alle Camassia’s. Ze doen het zonder uitzondering goed in de bloemenwei waar ze de concurrentie met het gras gemakkelijk aankunnen. Wie zich afvraagt of bloembollen het in zijn gras wel zullen doen zou moeten beginnen met Camassia’s. Die doen het overal, behalve in de zandbak.

 Camassia leithlinii Caerulea