De reis van de walnoot, fragment

Op 3 september verschijnt mijn nieuwe boek: ‘De reis van de walnoot.’ Daarin verken ik de reis die de walnoot langs de zijderoute heeft gemaakt. Hier volgt een fragment.

Romke-in-walnotenbos-Kirgizië-rond.jpg

Een paar kanttekeningen voor een goed begrip van de volgende tekst: de uitgestrekte walnotenbossen van Kirgizië strekken zich uit over 60.000 hectare in het uiterste zuidwesten van het land, aan de grens met Oezbekistan. Arslanbob is een dorp dat middenin het bos ligt. Hotels en B&B’s zijn er niet, maar toeristen kunnen bij bewoners worden ondergebracht. Je meldt je bij het kantoortje Van CBT – Civilian Based Tourism. Daar resideert Hayat Tarikov die je overal mee kan helpen: informatie, onderdak, vervoer, geneesmiddelen tegen reizigersdiarree - kortom alles waar de reiziger in Kirgizië maar behoefte aan zou kunnen hebben. Hieronder volgt een kort stukje uit mijn boek.

In het dorp loop ik naar het CBT kantoortje. Hayat Tarikov is blij om me te zien. Ik leg hem uit wat mijn plannen zijn. Kan hij me hierbij helpen?. ‘Natuurlijk’, roept Hayat, ‘helpen is mijn beroep. Ga zitten. Zal ik je eerst iets vertellen over het CBT, over het dorp en over de walnootbossen?’

Hayat schenkt thee in en gaat ervoor zitten. Dat heb ik al wel begrepen: iedereen hier heeft alle tijd. Hij steekt van wal. ‘Laat ik eerst wat vertellen over mezelf en over de bossen. Ik ben een inwoner van Kyrgyzstan, maar een etnische Oezbeek, net als bijna alle inwoners van dit dorp. Ik heb in de Russische tijd bosbouw gestudeerd in Oezbekistan. Daarna ben ik teruggekomen naar Arslanbob, ik ben met dit dorp vergroeid. Mijn vader was hier hoofd van de school en onze familie woont hier sinds mensenheugenis. Ik kreeg een baan bij de Forestry Commission (Staatsbosbeheer). Ik hield toezicht in de walnotenbossen. We hebben hier in dit district ruim 60.000 ha bos, waarvan 42.000 ha walnotenbos. De rest van het bos is gemengd: walnoten, wilde appels, peren, pruimen en meidoorns. De walnotenbossen staan op de hellingen van de Tian Shan, tussen de 1500 en de 2500 meter. Lager is er een zone van pistachenoten, berberis, rozen en andere struiken. Alle vruchten worden geoogst. De berberisbessen zijn onmisbaar in de pilav. Hogerop, boven de walnotenzone, groeien jeneverbessen en een esdoornsoort, Acer turkestanica.

Toen de Sovjets vertrokken viel alles uit elkaar: het toezicht op de bossen, het wetenschappelijk onderzoek, het opkweken en planten van jonge bomen. Mijn salaris werd maandenlang niet betaald. Op een dag kreeg ik de vraag of ik drie Duitsers naar Sacred Lake wilde begeleiden. Te paard - in drie dagen heen en terug. Voor die drie dagen kreeg ik   $ 250,- betaald. Dat was een maandsalaris voor mij. Verdiend in drie dagen. De volgende dag heb ik ontslag genomen. Daarna heb ik hier de plaatselijke tak van het CBT opgericht. Wij doen alles. Je kunt hier paarden huren, of ski’s of tenten. Gidsen, taxi’s, you name it, we do it. Wij zijn wat duurder dan andere reisbureautjes, maar alles wat we verdienen komt ten goede aan de plaatselijke bevolking. Onderwijs, sport, het opstarten van bedrijfjes. We proberen duurzaam toerisme te bevorderen. Ik ben hier in mijn eentje begonnen. Nu werken er 150 mensen in het dorp voor het CBT, niet allemaal full time, maar we zijn er trots op.

Dat onderwijs is erg nodig. Want onze walnotenbossen zijn wel beroemd, maar daarmee gaat het helemaal niet goed. Toen de Russen vetrokken werden we in de armoede gestort. Maar walnotenbomen zijn veel geld waard. We hebben altijd wortelnotenhout geëxporteerd. Weet je wat dat is? Wortelnotenhout komt niet van wortels, maar van een soort ruwe uitgroeisels aan de voet en de stammen van walnoten. Dat hout werd vroeger gebruikt voor meubelfineer en ook voor dashboards van dure Engelse auto’s, MG’s en Jaguars. Per kilo bracht het evenveel op als een kilo zilver. Iedereen begon die enorme wratten van de bomen te zagen. Je zult de littekens nog wel zien in het bos. Lang geleden, in de vorige eeuw werden de propellers van Spitfires van walnotenhout uit onze bossen gemaakt.’

En ik altijd maar denken dat wortelnoten hout afkomstig is van boomwortels.

‘Na de onafhankelijkheid hadden we ook gebrek aan hout voor onze kachels. Dus iedereen begon takken van de notenbomen te zagen. Soms kapten we ook hele stammen. Ook dat zul je zien. Lage takken zijn er bijna niet. Dat maakt het nu lastig om de bomen in te klimmen om de walnoten naar beneden te schudden. Dat zagen en kappen is nu verboden, maar het grootste probleem is overbegrazing. Er zijn veel meer schapen en koeien dan in de Russische tijd. Die grazen allemaal in de bossen. De onderbegroeiing verdwijnt en jonge bomen worden opgegeten. Vroeger gingen de dieren in de zomer naar de hoogst gelegen bergweiden. Dat gebeurt steeds minder. De dieren grazen veel lager. Een enorm probleem, maar we moeten het oplossen.

Vroeger hadden we vier boomkwekerijen. Daar selecteerden we walnotenboompjes om die later in het bos uit te planten. Nu is er nog één, in Jalal Abad. Die wordt overeind gehouden met geld van de FAO.

Ik wil nog graag weten hoe het rapen van noten geregeld is.

Hayat zucht. ‘De percelen van een paar hectare worden uitgegeven voor een periode van vijf jaar. De pachter betaalt in noten. Hakt hij bomen om, of brengt hij andere schade toe aan het bos, dan wordt zijn concessie niet verlengd. Maar bij goed gedrag krijgt hij er weer vijf jaar bij. Het grootste probleem is het vee: de rapers bouwen tijdelijke tentjes in het bos en nemen hun vee mee. Paarden, koeien en schapen. Die zijn honkvast. Geiten kunnen ze niet meenemen. Die lopen weg. Vrouwen en kinderen slapen in het bos. Maar het vee vreet alle jonge boompjes op waardoor er geen natuurlijke verjonging meer in het bos plaatsvindt. Als het nog 50 jaar zo doorgaat blijft er geen bos meer over. De Forestry Commission wil vee uit de bossen weren. Maar je kunt de mensen hun broodwinning toch niet ontnemen? Het probleem valt misschien pas op te lossen als het beter gaat met de economie. Of als we internationale subsidies krijgen. Maar goed, je komt hier niet voor mijn verhalen en onze zorgen kun jij niet verlichten. Waar kan ik je mee helpen?’

Ik wil later deze week graag uitvoeriger met Hayat praten. Maar nu wil ik naar het bos. ‘Ik heb begrepen dat ik dan een uur lang het pad moet volgen naar de Kleine Waterval. En daarna naar boven, het bos in. Maar ik heb weinig tijd en ik wil veel van het bos zien. Kun jij misschien vervoer voor mij regelen?’

‘Jazeker’, zegt Hayat, ‘wanneer wil je weg?’

‘ Liefst vandaag’, zou dat lukken?’

‘Natuurlijk heb je een half uur?’ Hij pakt zijn telefoon.

Terwijl hij belt wordt de deur van het kantoortje opengeduwd. Twee mannen in wielertenue stappen naar binnen. Zij zien grijs van het stof, alsof ze zojuist een cementfabriek hebben bezocht. De twee blijken Australiërs te zijn. Ze zijn over de Pamir Highway van Dushanbe naar Osh komen fietsen, en van daaruit door naar Arslanbob. Ze zoeken onderdak voor twee nachten. Vandaag uitrusten, morgen het walnotenbos, en daarna door naar Oezbekistan, naar de toeristische trekpleisters Khiva, Samarkand en Bokhara.

‘Hoe was het fietsen op die hoogte?’ wil ik weten terwijl Hayat telefoneert. Want de bergpassen op de Heroin Highway zijn hoog. Hebben ze geen last gehad van hoogteziekte?  ‘Hight is no problem’ is het antwoord. ‘You get used to it. But the road is fucking awful. There is no highway. No fucking road either. Just one great big fucking hole. Sometimes sandtracks, just like home. We had to carry our bikes for most of the fucking way.’ Dat klinkt niet aanlokkelijk. Die hele Pamir Highway lijkt me trouwens niks: boomloos, koud en stoffig. Waar de weg langs de grens met China loopt is hij afgezet met eindeloze rollen prikkeldraad.

Hayat regelt een slaapplaats voor de wielerhelden. ‘Op naar hun fucking guesthouse’, zeg ik als ze de deur achter zich dichttrekken. Hayat grinnikt.

Ook mijn zaak heeft hij snel geregeld. ‘Een middag in het bos kost 2000 Som. Je wordt opgehaald door Kumbayli. Hij laat je het bos zien. Hij rijdt in een oude Russische legerjeep.’ Die rijdt even later voor. Kumbayli, een soort worstelaar met een grote zonnebril op, houdt van crossen. Als hij een kuil ziet geeft hij gas. Misschien moet je dat ook wel doen om niet vast te komen zitten; ik heb geen verstand van terreinrijden. Kumbayli wel. Hij heeft vroeger een Russische tank bestuurd. Al na vijf minuten lijkt het of mijn maag tegen mijn huig zit. De jeep heeft geen veiligheidsgordels, maar wel een beugel op het dashboard waaraan ik me kan vasthouden. Zo kan ik me schrap zetten en de meeste schokken opvangen. Kumbayli kijkt af en toe lachend opzij en barst soms in zingen uit. Kirgizische strijdliederen, neem ik aan.

Het walnotenbos is adembenemend; mooier dan ik ooit had kunnen dromen. En ook heel anders dan ik het mij had voorgesteld. De notenbomen staan op een flinke afstand van elkaar. Zonlicht valt op de bodem van het bos. Onderbegroeiing is er niet. Tussen de bomen door kijk je honderden meters ver. Het blad van de walnotenbomen begint net te kleuren. Er valt een groengeel licht doorheen op de vloer van het bos en op de grijze stammen van de notenbomen. Walnotenbomen geven geen zware schaduw. Er valt veel licht door de kronen. Ik heb nog nooit een bos gezien waarin het zo licht is. Het lijkt wel alsof er verborgen schijnwerpers branden; het licht komt van alle kanten. Bijna alle bomen zijn walnoten, maar af en toe zie je wat  spichtige wilde appel- en pruimenbomen waarvan het blad nog niet kleurt en helgroen is.

MarktEn het is niet stil in dit bos. Het lijkt wel feest. Overal klinkt vrolijk geroep, geloei, gemekker, gebalk, gekakel en gehinnik. Mensen kamperen hier zes weken lang, zo lang de oogst duurt, en ze nemen hun vee mee. Dat is een van de redenen waarom het hele bos is verdeeld in afgepaalde perceeltjes: provisorische hekken van takken en ijzerdraad voorkomen dat paarden, koeien, schapen en ezels ontsnappen. Voor sommige tentjes brandt een vuurtje waarop in een grote ijzeren wok de onvermijdelijke pilav wordt klaargemaakt. Vrouwen en kinderen rapen walnoten; de mannen klimmen in de bomen om aan de takken te schudden waarna het walnoten hagelt in het dorre blad. Walnotenbomen staan erom bekend dat hun oudere takken vaak spontaan afsterven. Na een storm ligt het onder een walnoot vol met dood hout. ‘Een walnoot hoef je nooit te snoeien’ luidt een oude wijsheid, ‘een walnoot snoeit zichzelf’. Dat dode hout zorgt voor de nodige valpartijen. Dode takken breken gemakkelijk af. In het dichtstbijzijnde hospitaal worden ieder jaar meer dan 50 walnootslachtoffers opgenomen, vaak met ruggenwervel fracturen

Het rapen van walnoten levert geld op, maar het is ook een sociaal gebeuren: mensen ontmoeten elkaar, kinderen hebben vrij van school en er heerst een jolige vakantiesfeer, zoals vroeger bij ons, toen je op school nog ijsvrij kreeg om te schaatsen als er ijs lag. Het bos is vol geroep en gezang en omdat er – op het geluid van onze jeep na – geen verkeerslawaai is, draagt het geluid  honderden meters ver.

Kumbayli is een dienstbare chauffeur: hij vertoont graag zijn stuurmanskunst op hoge snelheid in ruw terrein, maar stopt ook zodra ik het hem vraag. Ik wil graag foto’s maken en hij stapt voor mij op de walnotenrapers af om daarvoor toestemming te vragen. Sommige vrouwen willen niet gefotografeerd worden; andere alleen van opzij. Sommige gaan graag met hun kinderen op de foto.

Iedereen geeft je iets als welkomstgeschenk – wordt er toevallig net gegeten, dan is dat een stukje brood, zo niet dan krijg je een handjevol walnoten. Het brood eet ik op en de walnoten stop ik in mijn rugzak. Na een paar uur is die vol en val ik bijna achterover. De walnotenbomen zijn hoog, soms wel 20 of 30 meter. Lage takken zijn er inderdaad niet veel. De stammen zijn kaal en grijs. Naarmate de middag verstrijkt worden de schaduwen langer dan de bomen. De kleur verdwijnt en alles begint op een zwart-wit foto te lijken. Tijd om terug naar het dorp te gaan. Maar één ding weet ik zeker: morgen wil ik terug naar dit sprookjesbos.