Evergreen

Natuurlijk is het onzin om planten met mensen te vergelijken, maar soms is de verleiding groot. Want ook in het plantenrijk heb je voorbeelden van geboren optimisten en habituele zwartkijkers. Vooral ‘s winters wordt dat duidelijk. In de winter is het in de meeste tuinen toch al geen vrolijke boel, behalve dan als het gesneeuwd heeft. Dan lijkt zelfs de lelijkste struik uit een sprookje te komen. Maar sneeuwen doet het steeds minder vaak, lijkt het wel, en daarom heb je in de wintermaanden behoefte aan groenblijvers die er voor zorgen dat de vorm van de tuin behouden blijft en dat niet alles instort en aftakelt.

Dan moet je concluderen dat er ook onder groenblijvers zwartkijkers zijn, die dan wel groen mogen blijven, maar waar je beslist niet vrolijk van wordt. Kijk bijvoorbeeld eens naar een rhododendron als het een paar dagen gevroren heeft – als je al geen winterdepressie had, dan krijg je die wel bij het aanschouwen van de winterse rhododendron. Het blad is zo donkergroen dat het wel zwart lijkt en hangt treurig bij de takken af. Als het zou glimmen, dan zou het nog een zekere levensvreugde uitstralen, maar in plaats daarvan is het dof van roet en algen. De struik is nodig aan een poetsbeurt toe. Dat geldt trouwens niet alleen voor de winter, want als de rhododendron in het voorjaar dan eindelijk bloeit, dan zijn de bloemtrossen een mooi voorbeeld van een modderschuit, bedolven onder vlaggen. Er zijn honderden verschillende rhododendrons, waaronder ook soorten met minder deprimerend blad, maar het treurige afhangen van het lover lijkt een familiekenmerk. De enige soorten die hieraan onstnappen zijn degene die ‘s winters hun blad verliezen. Want die zijn er ook.

Nog zo’n pessimist is Viburnum rhytidophyllum, een groenblijvende viburnum die zelfs als het niet vriest de hele winter het blad laat hangen. Op zich is het blad niet lelijk; aan de bovenkant is het gerimpeld, met honderden kleine groefjes en de onderzijde is met prachtig kaneelkleurig vilt bekleed. Viburnum rhytidophyllum heeft alles, en maakt er niets van. Je hebt ook mensen die mooi zouden zijn, als ze hun schouders niet zo treurig lieten hangen. Je ziet deze struik nogal eens in sombere kantoortuinen, waar hij onder een regime van verwaarlozing toch min of meer in leven blijft.

Maar gelukkig zijn er ook heesters bij het zien waarvan je onwillekeurig in een goed humeur raakt. Vaak zijn dat struiken met vrolijk glimmend blad. Veel groenblijvers hebben grafgroen blad, maar er zijn uitzonderingen. Een voorbeeld is Fatsia japonica, met groot, handvormig glimmend lichtgroen blad. Deze struik wordt niet veel hoger dan een meter of twee en gedijt zowel in de zon als in de schaduw, maar in schaduwtuinen onwikkelt het blad zich in volle glorie. Fatsia japonica maakt een weelderige, tropische indruk en de struik is haar carrière ooit begonnen als kamerplant. Vingerplant, werd de Fatsia toen ook wel genoemd. Pas later is men erachter gekomen dat de struik ook in de tuin wil groeien. In een heel strenge winter, zo een waarin een elfstedentocht verreden wordt, kan het blad wel eens bevriezen, maar zelfs dan loopt de struik in het voorjaar wel weer uit.

Zo’n zelfde heester die lijdt onder het imago niet helemaal winterhard te zijn en die daarom zelden in de tuin wordt aangeplant is de ‘s winters groenblijvende magnolia, Magnolia grandiflora, die in het zuiden van Europa tot een woudreus uitgroeit, maar die hier meestal niet verder reikt dan een meter of vier. Het blad van deze heester voelt hard aan. Het lijkt wel gebeelhouwd. Het glimt dat het een aard heeft en maakt van een sullig tuintje in één klap een tuin met allure. Over de bloemen, met hun hemelse geur, heb ik het dan nog niet eens gehad.